Sporenverspreiding Phytophthora
    De Phytophthora infestans-populatie wordt steeds agressiever, de cyclus wordt korter en er kan een snellere uitbreiding van de epidemie optreden als niet wordt ingegrepen. Bestrijding van Phytophthora in de teelt van aardappelen vraagt daardoor steeds meer aandacht.

    Het ontwikkelen van strategieën die zowel rekening houden met doseringsverlaging, rasresistentie, gecombineerde bestrijding Alternaria en Phytophthora, milieu en kosten vindt over meerdere jaren in veldproeven plaats op verschillende locaties in Nederland met verschillende teeltomstandigheden en verschillende klimatologische omstandigheden. Ieder jaar zijn er enkele aanpassingen in proefopzet, gebaseerd op de nieuwste inzichten uit Phytophthora-onderzoek (Parapluplan Phytophthora). Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Landbouw.

    In 2009 werden bestaande waarschuwingssystemen (Plant Plus, ProPhy) gebruikt als basis voor de bestrijdingsstrategie. Binnen Wageningen UR zijn additionele onderzoeksmodules ontwikkeld waarmee o.a. rekening gehouden wordt met de ziektedruk (= het aantal sporen dat aan kan komen waaien) en de mate van rasresistentie tegen P. infestans. Hierdoor kunnen, rasspecifiek, kritieke dagen met minimale doseringen worden afgedekt.

    Dit groeiseizoen [2009] is het aantal kritieke perioden beperkt gebleven. Het aantal bespuitingen en de doseringen konden daardoor in een aantal strategieën in deze proeven laag blijven. Dit leidde tot lange spuitintervallen, zonder dat dat resulteerde in aantasting door Phytophthora. Zowel voor de commerciële waarschuwingsystemen, als in de onderzoeksmodules geldt dat flinke besparing konden worden behaald ten opzichte van een strategie die uit gaat van wekelijkse bespuitingen.

    In Slootdorp, Vredepeel en Westmaas is ondanks minimale bespuitingen geen Phytophthora in de proeven waargenomen. Bij de proeven in Lelystad en Valthermond nam de loofaantasting in de loop van het seizoen toe. Qua loofaantasting werden op beide locaties met de onderzoeksmodules betere resultaten behaald dan met Plant Plus. In de consumptieaardappelen in Lelystad kwam ook knolaantasting voor, ook hiervoor geldt dat de aantasting bij de onderzoeksmodules lager is. Opgemerkt moet worden dat in strategie A uitsluitend gespoten werd zodra de drempel werd overschreden. Het advies "overwegen"leidde niet tot een bespuiting. In de praktijk zal dat mogelijk wel het geval zijn, zeker als de drempel benaderd wordt.

    Strategie C (verlaagde dosering en kritieke periode afdekken op een matig resistent ras) gaf de beste economische resultaten in Lelystad, Westmaas en Valthermond. Dit werd vooral bepaald door hogere opbrengsten van de betreffende matig resistente rassen en in mindere mate door de geringere spuitkosten.

    In Slootdorp gaven juist het gevoelige ras Spunta en het resistente ras Toluca vanwege hogere opbrengsten de beste resultaten. Opvallend is dat met strategie A in Spunta minder goede resultaten werden bereikt dan met strategie B. In strategie B werd minder gespoten.

    De milieubelasting van grondwater en bodemleven bleef bij alle strategieën op alle locaties binnen de normen. Bij het oppervlaktewater vonden wel normoverschrijdingen plaats. Op elke locatie gaf de spuitstrategie in het resistente ras de minste milieubelasting. De norm voor MIP (Milieu Indicator Punten oppervlaktewater) werd met een uitzondering overschreden.

    Uit dit onderzoek blijkt dat de huidige waarschuwingssystemen nog verder verbeterd kunnen worden om te komen tot een zo laag mogelijke dosering en een zo laag mogelijke milieubelasting.

    Lees het Rapport Effectieve bestrijding van Phytophthora infestans bij minimaal fungicidengebruik met behulp van waarschuwingssystemen - 2009 (pdf, 39 pagina's)
    Help